Bevraging over woonzorgcentra
Er is ruimte voor verbetering
Onze enquête bevestigt de bekende pijnpunten, zoals de hoge prijzen. Maar ze toont ook heel concreet enkele verschillen tussen de drie gewesten, en de publieke en privésector.
Journaliste: Nikita Goossens – Expert: Christian Rousseau
Op een bepaald moment worden veel mensen geconfronteerd met de vraag of het misschien tijd is (voor een familielid) om naar een woonzorgcentrum te trekken. In het nieuws komt het thema echter vaak negatief aan bod: hoge prijzen, weinig vrijheid, zelfs verwaarlozing… Dus vanzelfsprekend zit je dan met angsten. Maar zijn die wel terecht? Om dit te onderzoeken, hebben we 700 personen bevraagd.

Wie we bevroegen
We legden onze enquête voor aan familie van de persoon die in het woonzorgcentrum verblijft. In 60% van de gevallen was de bevraagde een zoon of dochter van de bewoner. 53% van de bewoners waarover een familielid de vragen beantwoordde, was op het moment van onze enquête al overleden. Die groep verbleef uiteindelijk gemiddeld 4,4 jaar in het woonzorgcentrum.
De meeste ervaringen gingen over een woonzorgcentrum in de publieke sector (33%). Nog eens 27% en 24% verbleef in een privécentrum, respectievelijk zonder en met winstoogmerk.
Duurst in Brussel en in de privésector
Om in een woonzorgcentrum te verblijven betaalt men volgens onze enquête maandelijks gemiddeld € 2 136. Maar dit bedrag kan verschillen afhankelijk van het gewest. In Wallonië blijft het gemiddelde net onder de € 2 000, terwijl het in Brussel al richting de € 2 400 gaat. In Vlaanderen komt het neer op ongeveer € 2 200.
Ook het soort woonzorgcentrum waarin je verblijft, speelt een rol in wat je betaalt. In de privésector mét winstoogmerk betaal je – niet verrassend – het meest. Gemiddeld gaat het om een verschil van meer dan € 300 met de publieke sector, maar daar is de wachttijd dan weer bijna dubbel zo lang. Weet wel dat niet alle inbegrepen diensten bij elk woonzorgcentrum dezelfde zijn. De was, een kappersbeurt of fysieke activiteiten zoals gymnastiek zijn bij het ene centrum wél inbegrepen in de kosten en bij het andere niet.
Gemiddelde tevredenheid van net geen 7/10
Het gaat alleszins om veel geld. De meerderheid (68%) van de bewoners komt niet toe met zijn of haar pensioen en moet spaargeld aanwenden of aankloppen bij familie om het woonzorgcentrum te kunnen betalen.
Of men dan tenminste waar krijgt voor dat geld? Dat valt te zien hoe je een algemene tevredenheidsscore van 6,9/10 interpreteert. Diezelfde score werd gegeven aan verschillende deelaspecten: de verzorging, verpleging, maaltijden… Wat het minst goed wordt beoordeeld, is hoeveel personeel er aanwezig is tijdens de nacht (score van 5,2/10), weekends en feestdagen (5,5/10).
Als we echter meer in detail naar de tevredenheid kijken, zien we een markant verschil per sector. De publieke sector krijgt voor de algemene tevredenheid namelijk een 7/10, die privésector zonder winstoogmerk een 7,2/10, maar de privésector mét winstoogmerk slechts een 6,5/10 (en ook voor elke deelscore krijgt die systematisch een lager resultaat). Dit terwijl de prijzen van die laatste wel het hoogst liggen. Duurder staat dus niet gelijk aan beter.
Welzijn gaat achteruit
Wat helaas, tot slot, ook blijkt uit onze enquête is dat de algemene gezondheid van wie naar een woonzorgcentrum verhuist, achteruitgaat. Dat zie je ook in de tabel op de vorige bladzijde. Dit heeft voor de duidelijkheid niet louter met het woonzorgcentrum te maken. We kunnen immers aannemen dat ook de stijgende leeftijd een rol speelt, net als het feit dat de bewoners hun oude thuis mogelijk missen (met gevolgen voor het mentaal welzijn).



